Johannes 21,15-19 en Galaten 1,11-20  – zr. Emmanuel

inleidend woord:

Broeders en zusters in Christus, wij zijn hier verzameld in het huis van de Heer en verenigd in zijn naam: Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen.
Toen paus Leo aantrad als 267e opvolger van de apostel Petrus nam hij zijn wapenspreuk mee, die luidt: ‘In illo uno unum’, ‘In de Ene [Christus] zijn wij één.’
In de Ene Christus zijn wij één. Dat zou ook het motto kunnen zijn van het feest dat wij deze zondag vieren, het hoogfeest van de heilige apostelen Petrus en Paulus. Hoe verschillend zij ook waren – in alle opzichten –, Gods meesterhand voegde hen aaneen, God bouwde hen beiden op tot steunpilaren van zijn ene Kerk. Maar eerst moest er iets anders gebeuren. Voordat Petrus en Paulus de steunpilaren konden worden van Christus’ ene Kerk, voordat zij in staat waren de onderlinge eenheid te bewerken en te bewaren, moesten zij zelf tot eenheid worden gebracht. Zij moesten hun eigen gebrokenheid en verdeeldheid onder ogen zien, en God de kans geven om hun gebrokenheid te helen, om hun innerlijke verdeeldheid tot eenheid te brengen. De lezingen van de vigiliemis, die we in deze viering zullen horen, doen daar iets van oplichten.

Bezinning na Johannes 21,15-19:

Het is een van de meest aangrijpende momenten in het Passieverhaal: de verloochening van Jezus door Petrus. Tot driemaal toe verloochent hij Jezus, zegt hij Hem niet te kennen. Alle vier de evangelisten tekenen dit op. De evangelist Lucas vermeldt bovendien dat Jezus zich precies op dit moment van verloochening, na de derde keer, omdraait en Petrus aankijkt. Die blik van Jezus moet Petrus tot in het diepst van zijn ziel geraakt hebben. Onder die blik van Jezus beseft Petrus ineens wat hij gedaan heeft, en barst hij in tranen uit.

De mysticus Jan van Ruusbroec heeft over precies dit moment een prachtige meditatie geschreven. Hij schrijft:
In zijn ellendige lijden, keerde Jezus zich om en keek Petrus aan met tedere liefde, en Petrus keek Hem aan met diep berouw in zijn hart. En in die wederzijdse blik vernieuwde hun beider liefde, meer dan ooit. Genade en liefde, innerlijk berouw, diep vertrouwen en schaamte: dat alles vervulde Petrus’ hart en heel zijn innerlijk. Uit zijn ziel vloeiden tranen, bitter en zoet tegelijk. Bitter omwille van zijn zonde, maar ook zoet en boordevol geluk omwille van de trouwe liefde die hij zag en voelde in Christus. Tot zover Ruusbroec.

Het zat misschien al gevangen in die ene blik, toen, op dat moment. Maar de wonde is niet meteen geheeld. De eenheid die de liefde bewerkt heeft tijd nodig om te groeien. Vandaar dat Jezus Petrus in het evangelie tot driemaal toe vraagt ‘Heb je Mij lief?’ Ook nu raakt het Petrus na de derde keer, hij wordt bedroefd. Ook nu ervaart Petrus mét die droefheid ook de tedere en trouwe liefde van Jezus. Immers: in de vraag ‘Heb je Mij lief?’ ligt de onvoorwaardelijke liefde van Jezus al besloten, want het is slechts door en in zijn liefde dat wij in staat zijn om lief te hebben.

Bezinning bij Galaten 1,11-20:

In de Handelingen van de apostelen wordt drie keer verhaald over de bekering van Paulus op weg naar Damascus. In zijn brieven uit Paulus zich minder concreet over die Damascuservaring. Toch deelt hij hier en daar wel iets van de ingrijpende ervaring die zijn leven totaal op zijn kop zette en zijn leven geheel en blijvend veranderd heeft. We hoorden daar net iets over, uit Paulus’ brief aan de Galaten.

Paulus’ bekering is geworteld in een openbaring van Christus zelf. Christus heeft zich aan Paulus laten zien, en wel zo, dat hij daarna niet op de oude voet verder kon. Over die ‘oude voet’ vertelt Paulus: over hoe ver hij het geschopt heeft, over zijn grenzeloze ijver. En over hoe hij de kerk van God fel vervolgd heeft en haar trachtte uit te roeien. Met dat laatste begint hij zelfs, en dat is intrigerend. Het is iets wat Paulus waarschijnlijk zijn leven lang nog met zich meegedragen zal hebben. Als Petrus al zoveel pijn en verdriet ervaarde omdat hij Jezus verloochend had, hoeveel zal Paulus dan wel niet geleden hebben onder het feit dat hij christenen fel vervolgd had en zelfs trachtte uit te roeien? Maar ook Paulus liet zich in zijn pijn en gebrokenheid vinden en helen door God. Gods genade en barmhartigheid kwamen in hem ten volle aan het licht.

Paulus zag niet alleen Christus, toen, op weg naar Damascus. Hij wist zich ook ten diepste gezien door Hem. Bovendien werd Paulus toen al ten diepste doordrongen van Christus’ aanwezigheid in zijn Kerk, in zijn gelovigen. Paulus vervolgde de Kerk, zoals hij zelf zegt. Maar wanneer Christus op de weg naar Damascus aan Paulus verschijnt, vraagt Hij: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?’

Het is in Christus dat wij allen ledematen vormen van een lichaam, van Zijn ene Lichaam. Het is in Christus dat wij bouwstenen zijn van zijn ene Kerk, hecht aaneengevoegd door de liefde.

tot slot:

In illo uno unum. In de ene Christus zijn wij een. Dat motto geldt voor paus Leo. Dat motto geldt voor de apostelen Petrus en Paulus. En dat motto geldt voor ons. Die eenheid mogen ook wij op onze beurt en onze eigen wijze meedragen en mee opbouwen. In Christus, en door de liefde van Christus.