Lucas 23,25-43 – br. Hans-Peter
inleidend woord:
Zusters en broeders, wij zijn hier samen in de Naam van de + Vader, de Zoon en de Heilige Geest. We vieren met de Kerk Christus, Koning van het Heelal. Wij zijn als Nederlanders, net als onder meer Belgen, Engelsen, Spanjaarden, Noren en Zweden in het voordeel met dit feest. De term ‘koning’ zegt ons nog niet. Voor veel andere landen is dat een term uit het verleden. Voor bijvoorbeeld Duitsers, Ieren en Fransen is dit veel moeilijker te vatten. Jezus’ koningschap is iets anders dan ‘presidentschap’. Een president komt uit het volk en keert na zijn termijn weer terug in het volk. Het volk maakt de president. Koning kun je worden, omdat je geboren bent als erfopvolger. Dat is wat je bent. Je hoeft er niets voor te doen. Om president te worden moet je campagne voeren en mensen overtuigen. Jezus kunnen we president van het heelal maken. Maar Jezus koningschap moeten we erkennen. En dat is een sleutelterm bij dit hoogfeest.
Exact 100 jaar geleden heeft paus Pius XI dit hoogfeest ingevoerd als reactie op de steeds sterker wordende scheiding van Kerk en staat en het oprukkende atheïsme. In feite wilde hij zeggen: wat de mens ook in zijn hoofd haalt… God heeft zijn Zoon Jezus een allesomvattend koningschap over hemel en aarde gegeven, waaraan geen mens zich kan onttrekken. In zijn encycliek Quas Primas schrijft Pius XI zelfs: Erkenning van Christus koning zou […] de remedie zijn tegen de pest die de maatschappij op dat moment bedreigde: antiklerikalisme.
Persoonlijk vind ik dat een slechte reden om een verder een mooi uitgangspunt van ons geloof te vieren. Gelukkig schrijft hij ook: dat het erkenning van Jezus als Koning zou leiden tot de vrijheid van volkeren, vrede en harmonie. Dat ideaal is gelukkig al beter. Maar laten we deze paus eens laten en gaan luisteren wat de evangelist Lucas ons vertelt over Jezus’ Koningschap…
bezinning:
Van enige koninklijke allure is bij de evangelist Lucas geen spraken. Het is Goede Vrijdag. We treffen Jezus aan het kruis. Geen prachtige mantels, kronen en tronen. Die heeft Jezus helemaal niet nodig om koning te zijn. Aardse koningen moeten gekroond, gekleed, ingehuldigd of gezalfd worden. Jezus heeft dat niet nodig; zijn koningschap is niet van deze wereld; zoals Hijzelf in het Johannesevangelie tegen Pontius Pilatus zou zeggen. Enig andere koning zouden we in deze omstandigheden niet meer serieus nemen.
Zeker koningen van vroeger moesten met ijzeren vuist gezag afdwingen om zo de macht te houden. Ook dat past niet bij Jezus’ koningschap. Juist op zo’n moment waarin Jezus van al zijn waardigheid gestript is, letterlijk en figuurlijk, wordt zijn ware koningschap duidelijk.
Hij bepaalt wie binnen mag in zijn koninkrijk. Daarvoor hoef je noch belastingen, noch steekpenningen te betalen. Je hoeft er überhaupt geen moeilijke dingen voor te doen of je hele leven het meest heilige boontje te zijn. Niks van dat alles. Besef van het bestaan van Jezus’ koninkrijk en daarmee zijn koningschap is voldoende. De man, die de traditie de rare naam van “goede moordenaar” gegeven heeft, heeft van zijn hele leven een zooitje gemaakt. Als misdadiger wordt hij nu ter dood gebracht. En zelfs hij krijgt, zodra hij beaamt heeft dat Jezus koning is, toegang tot dat rijk.
Dat zegt iets over de rijk en wijd uitgestoken armen van Jezus. Iedereen is bij Jezus welkom en veilig. Je moet echter zelf op Hem afgaan. Juist om al zijn kinderen toegang te verlenen tot Hem, heeft God zijn Zoon gestuurd en geofferd. Daar mogen we dankbaar voor zijn. Of, met de woorden van Paulus die we deze zondag ook zullen horen: Zegt met blijdschap dank aan de Vader, die u in staat stelde te delen in de erfenis van de heiligen in het licht. Hij heeft ons ontrukt aan het domein van de duisternis en overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon, in wie onze bevrijding verzekerd is en onze zonden vergeven zijn.
Dát is wat we met dit hoogfeest mogen vieren. Want, om Paulus een tweede keer te citeren, in Hem heeft God willen wonen in heel zijn volheid, om door Hem het heelal met zich te verzoenen en vrede te stichten door het bloed aan het kruis vergoten, om alles in de hemelen en op de aarde te verzoenen, door Hem alleen.
God was en is uit op verzoening met de mensen. Daarom mogen wij zo blij zijn met zo’n hemelse koning. We mogen erover jubelen: we mogen opgaan naar het Huis van de Heer. We mogen naar de Koning, we zijn bij Hem welkom. Als we, zoals de psalmist bezingt, de Naam van de Heer loven. En dit feest leert ons dat we de Naam van de Heer loven als we erkennen dat Hij koning is. Geen koning van deze aarde. Dat zijn koningen die je ten val kan brengen en onder de guillotine kan brengen. Nee, deze echte ware koning ís er. Omdat God dat wilde. En niemand kan dat veranderen. Dat weten en erkennen is de rust voor wie Hem beminnen, de vrede binnen onze muren, oftewel de vrede in ons.
We kunnen er gerust op zijn: God heeft ons dan wel geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst. In zijn Koninkrijk van vrede en liefde.
En zelfs als we het spoor soms bijster zijn. Jezus staat ons toe zo het oude achter te laten en te beginnen met nieuw leven. Dat is de weg aan het einde van dit kerkelijk jaar die voor ons opengaat straks het nieuwe kerkelijk jaar in, richting die verwelkomende wijd open gestrekte handen van Jezus.
Dat is de ware betekenis van dit feest. Daar passen geen maatregelen tegen wie dan ook van een paus bij. God sluit mensen in, nóóit uit.