Jesaja 8,23.9,1-3 en Matteüs 4,12-23 – broeder Hans-Peter

inleidend woord:

Zusters en broeders van de Heer, wij zijn hier bijeen in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
Met Kerstmis vierden we dat het Licht met een hoofdletter L in de wereld kwam; precies zoals de profeet Jesaja had aangekondigd. Vandaag horen we hoe dat Licht, Jezus, aan het werk gaat. Hij roept op tot bekering. En op een simpel gestelde vraag, maar wel een met verregaande consequenties, zeggen Simon Petrus, Andreas, Jacobus en Johannes: “ja.” Ze volgen Hem terstond respectievelijk onmiddellijk, aldus dus de Evangelist Mattheus. Geen seconde twijfel…, laat staan overleg met elkaar of het thuisfront.
Jezus moet zoiets absoluuts betrouwbaars hebben uitgestraald, zodat ze Hem in blind Godsvertrouwen volgen en huis en haard achterlaten: Welk weldenkend mens doet dat nu: zomaar een onbekende achterna gaan? Petrus verlaat zijn gezin – anderhalve week geleden hoorden we nog over zijn schoonmoeder – en Jacobus en Johannes laten hun vader achter.
Wat onze roeping ook inhield… religieus leven, familieleven of een bepaald beroep… de meeste van ons zullen veel langer met hun roeping gestoeid hebben dan die milliseconde van die vier Galilese vissers. Of… zit daar dat het verschil tussen hart en hoofd? Besloot ons gevoel eerder dan ons verstand? Bespeurden wij ook iets van dat Godsvertrouwen dat Jezus’ toekomstige apostelen voelden en was ons hart net zo snel?
Laten we vanavond dat vertrouwen op Jezus, op God, vieren als anker in ons leven. Laten we allereerst luisteren naar het prachtige visioen van Jesaja waarin doorklinkt waarom we op Jezus kunnen vertrouwen…

bezinning:

Hij komt misschien vandaag voorbij en roept ook ons… en vraagt ons de rijkdom van ons leven… tot wie zouden we anders gaan? Tekstschrijver Ad den Besten verwondert zich net zo hard over het Godsvertrouwen van Jezus’ leerlingen. En hier wordt duidelijk waarom de Evangelist Matheus het zou direct kon vertellen zonder omhaal van woorden. Die had hij niet nodig. Hij had het zelf ervaren! Is hij immers niet die tollenaar die door Jezus net zo zeer geroepen werd als onze vissers? Ook hij heeft het precies aangevoeld. Ik denk dat hij de woorden niet eens had.

Het is die vreugde waarover Jesaja het heeft. Die moet de vier mannen zo geraakt hebben dat er geen houden meer aan was. Andreas en Jacobus hebben ons geen teksten nagelaten. Maar jullie snappen wel dat Johannes en Petrus mij sowieso het dierbaarst zijn als mijn naamheiligen. Laten we eens kijken wat zij er later zelf over schreven: Petrus schrijft in zijn eerste brief: “Jezus Christus hebt gij lief zonder Hem ooit gezien te hebben. In Hem gelooft gij, ofschoon gij Hem ook nu niet ziet. Hoe onuitsprekelijk, hoe hemels zal uw vreugde zijn, als gij het einddoel van uw geloof, de redding van uw ziel, bereikt. Naar dat heil hebben reeds profeten gezocht en gevorst, toen zij profeteerden over de genade die voor u bestemd was” (1 Petrus 1:8-10) Je speurt tussen de regels door het enthousiasme van Petrus, alsof hij wil uitroepen “Ik kan het weten, want ik heb hem wel gezien!”, maar zich inhoud om dat het niet onder woorden te brengen is.

Ook Johannes probeert er in zijn eerste brief woorden aan te geven, als hij schrijft: “Hoe weten wij dat wij God kennen? Er is maar een bewijs: dat we ons houden aan zijn geboden. Wie zegt dat hij Hem kent, maar zich niet houdt aan zijn geboden, is een leugenaar; in zo iemand woont de waarheid niet. Maar in een mens die Gods woord bewaart, heeft zijn liefde werkelijk haar volmaaktheid bereikt; dan weten we zeker dat we ‘in Hem’ zijn. Wie aanspraak maakt op verbondenheid met God, moet leven juist zoals Christus geleefd heeft.”

Ook Hij brengt niet precies onder woorden hoe Hij in dat vissersbootje geraakt werd en Jezus volgde. Hij voelt en weet. Was het immers niet deze Johannes die bij het lege graf “zag en geloofde” (Johannes 20:8b). Geen woorden, maar een gevoel. Hetzelfde gevoel toen hij als eerste van de leerlingen Jezus na zijn verrijzenis herkende toen ze aan het vissen waren en Jezus aan het strand verscheen: “Het is de Heer!” (Johannes 21:7b).

Het zijn dingen die niet onder woorden te brengen zijn… je moet ze ervaren om het te snappen. Vanuit datzelfde gevoel wist hij dat hij Jezus na het ontbijt op dat strand ook mocht volgen: Petrus had aansporing nodig; Hij had Jezus immers verloochend, terwijl Johannes samen met Maria onder het kruis tot op het laatst bij Jezus was gebleven. Johannes voelde en vertrouwde, Petrus wist dat hij opnieuw mocht proberen om zijn vertrouwen in Jezus te stellen. En uiteindelijk wandelt Jezus met hen samen het vierde evangelie uit.

Ja, je moet het durven… op God vertrouwen. En toch is dat onze opdracht: Altijd. Elke dag opnieuw. Het vertrouwen dat het goed komt; dat God ons nooit laat vallen. Want in Jezus hebben we God echt leren kennen of, om nogmaals Johannes’ brief te citeren: “Zo hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en wij geloven in haar. God is liefde: wie in de liefde blijft, blijft in God en God is met hem.” (1 Johannes 4:16). En verderop: “Ons vertrouwen op God geeft ons de zekerheid dat Hij naar ons luistert, als wij Hem iets vragen overeenkomstig zijn wil. En als wij weten dat Hij naar al ons vragen luistert, mogen wij er ook zeker van zijn dat onze gebeden al zijn verhoord.” (1 Johannes 5:14-15)

Ja, dat vertrouwen mogen we hebben als wij met Hem vandoen hebben, dan zullen we het weten, net zo zeker als Petrus, Andreas, Jacobus en Johannes het wisten. Want ja: De Heer is mijn licht en mijn heil: wie zou ik dan vrezen? (Psalm 27:1b)