Jesaja 7,10-14 – zr. Rebecca
inleiding:
We zijn samen op weg naar een nieuw begin, een nieuwe morgen. In de wereld om ons heen lijken donkerte, haat en verdriet sterker te zijn dan vreugde, vrede en licht. Maar elk jaar leert ons de adventstijd dat we de hoop mogen en moeten koesteren op een betere toekomst die voor ons is weggelegd. We zijn op weg naar het Licht dat door God aan de wereld geschonken wordt, ja, al geschonken is. De evangelist Johannes vertelt ons immers: “In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan. […] Het ware Licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld.”
Dat dichterbij komende Licht van de nieuwe morgen, dat wordt gesymboliseerd door de adventskaarsen, wordt elke week een beetje sterker. Met onze zuster Clara mogen we ons namelijk verwonderen dat “De hemelen Hem niet konden bevatten, maar Maria droeg Hem in de beslotenheid van haar heilige baarmoeder en had Hem op haar jonge schoot.”
Zoals het Kind groeit in Maria’s schoot, zo is onze hoop in ons elke week een stukje gegroeid. Zo groeien wij toe naar een nieuw begin met elkaar, met God en al zijn schepselen. De profeet Jesaja heeft ons deze weken steeds meegenomen in zijn visioen, op deze pelgrimstocht mét de hoop. Deze week wordt onze hoop bevraagd en ons vertrouwen op de proef gesteld: durven wij, anders dan koning Achaz, de Heer wel om een teken te vragen? Een teken dat God daadwerkelijk met ons is en een nieuw begin met ons wil maken.
bezinning:
“Vraag de Heer, uw God, om een teken.” Het is de oproep van Jesaja aan koning Achaz, maar even goed aan ons. Vraag om een teken, vraag duidelijkheid aan God! Komt Hij ons nu redden, of niet? Achaz presenteert het als vroomheid om af te zien van de vraag: hij wil God niet op de proef stellen. Maar wat hij niet begrijpt, is dat het juist zijn eigen geloof is dat door deze vraag op de proef gesteld wordt, en zijn hoop. Vragen om een teken is een uiting van groot Godsvertrouwen en onuitroeibare hoop op het Rijk van vrede dat God ons beloofd heeft. Vragen om een teken betekent de mogelijkheid onder ogen durven zien dat er geen antwoord komt – en dat ook dat een antwoord is.
Want wat is uiteindelijk een teken? Het teken dat Achaz krijgt, is een jonge vrouw die zwanger wordt en een zoon baart. Iets wat in ieder land overal ter wereld dagelijks gebeurt. Ook als Jozef, in het evangelie, merkt dat Maria zwanger is, nog voordat zij gaan samenwonen, zoekt hij daarachter niet meteen een teken of boodschap van Godswege. De tekens die God ons geeft, lijken op het eerste gezicht hele gewone, dagelijkse gebeurtenissen. Pas wanneer wij, zoals Jozef, openstaan voor wat God ons in onze dromen te vertellen heeft, leren wij ze herkennen voor wat ze zijn.
Het verschil zit in onze ogen, in hoe wij kijken. Meestal zijn we ons niet eens bewust van ons kijken: de indrukken komen bij ons binnen en we geven ze meteen een plek in onze interpretatiekaders. Maar dat wij kunnen zien, is louter dankzij het licht dat door de dingen weerkaatst wordt. Wat wij zien, is dus in feite niet de dingen als zodanig maar het licht zelf. Bij die realiteit staan we meestal niet stil. Maar doe je dat wel, dan kan dat je doen afdalen tot de laag van de werkelijkheid waar de proloog van het Johannesevangelie over spreekt: “Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen.” In plaats van alleen de weerspiegeling van het licht op de dingen te zien, zie je dan het Licht zelf, dat ieder moment in heel de werkelijkheid straalt en zich zonder ophouden in al het zijnde wegschenkt, als onvoorwaardelijke gave van liefde en leven. Zonder Hem is niets geworden wat geworden is. Hij, God-met-ons, is zelf het Zijn van alles wat is.
Het teken zit niet zozeer in iets wat in de wereld verandert, maar meer in een verandering in onszelf en hoe wij kijken. De zoon van de jonge vrouw Maria, die van Jozef de naam Jezus krijgt, blijkt Immanuel te zijn, God-met-ons, goddelijk Licht in de gestalte van een mensenkind. De nieuwe Morgen voor heel de schepping is al aangebroken, voor wie het zien wil.