Jesaja 35,1+6-10 – br. Hans-Peter
inleiding:
We zijn samen op weg naar een nieuw begin, een nieuwe morgen. In de wereld om ons heen lijken donkerte, haat en verdriet sterker te zijn dan vreugde, vrede en licht. Maar elk jaar leert ons de adventstijd dat we de hoop mogen en moeten koesteren op een betere toekomst die voor ons is weggelegd. We gaan op weg naar het Licht dat door God aan de wereld geschonken wordt, ja, al geschonken is. De evangelist Johannes vertelt ons immers: “In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan. […] Het ware Licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld.”
Dat dichterbij komende Licht van de nieuwe morgen, dat wordt gesymboliseerd door de adventskaarsen, zal elke week een beetje sterker worden. Met onze zuster Clara mogen we ons namelijk verwonderen dat “De hemelen Hem niet konden bevatten, maar Maria droeg Hem in de beslotenheid van haar heilige baarmoeder en had Hem op haar jonge schoot.”
Zoals het Kind groeit in Maria’s schoot, zo mag onze hoop in ons elke week een stukje groeien. Zo groeien wij toe naar een nieuw begin met elkaar, met God en al zijn schepselen. De profeet Jesaja neemt ons de komende weken in zijn visioen mee op deze pelgrimstocht mét de hoop. Deze week… zijn we over de helft van onze tocht, het is Zondag Gaudete. Verheugt U! Maar toch, het is ook een moment waarop men een steuntje in de rug kan gebruiken. We zijn al zolang onderweg… en hoewel het licht sterker wordt, we zijn er nog lang niet. Deze week geeft God zijn kracht, want we moeten elkaar steunen of – zoals in de woorden van de profeet Jesaja – geeft zwakke handen weer kracht en maakt sterk de bevende knieën. Door de eeuwen heen heeft God telkens weer bewezen zijn mensen nooit los te laten. Morgenavond begint er al een feest van hoop, het Joodse chanoekafeest. Het is net zo’n Lichtjesfeest als advent en Kerstmis. Het verhaalt hoe God zijn volk weer kracht gaf. Nemen wij het licht van Chanoeka mee op onze tocht, als nieuwe krachtbron… het is het feest van de herinwijding van de Tempel.
bezinning:
‘Houdt moed, weest niet bang! Hier is uw God!’ hoorden we zojuist de bemoedigende woorden van Jesaja. Soms lijkt de moed ons in de schoenen te zinken. Er is zoveel ellende in de wereld en het lijkt maar niet lukken het op te lossen. Stikstof problemen, woningtekort, werkdruk in onder meer zorg en onderwijs, nog weer meer kerken die gesloten moeten worden. Je zou er moedeloos van worden.
En dan klinkt Jesaja in onze oren: ‘Hij brengt U redding!’ In de geschiedenis hebben we het vaker meegemaakt. Over een van die keren gaat het feest van Chanoeka. Als een van de weinige feesten binnen het Jodendom komt Chanoeka niet voort uit de Tenach. Het feest is ingesteld naar aanleiding van een verhaal in de boeken van de Makkabeeën. Dat vertelt over een moeilijke periode uit de Joodse geschiedenis. De Joden worden in hun geloofsuitingen onderdrukt door de Grieken. Op een gegeven moment veroverden die zelfs de Joodse Tempel en ontheiligden die. Dit was de druppel voor de Joden. Ze komen, onder leiding van Judas een man uit het hogepriesterlijk geslacht van de Makkabeeën, in opstand en heroveren de Tempel. Om de Tempel her in te wijden, is het nodig dat de grote Menora, de zevenarmige kandelaar, acht dagen brandt op heilige olie. En daar zit het probleem. Er wordt slechts een klein vaatje heilige olie gevonden, een dag voorraad. En om olie te heiligen, hebben ze de Tempel nodig.
Toch steken ze hoopvol de Menora met de olie uit het vaatje aan. Hij brandt een dag, en tot hun vreugde nog een dag, en dan nog een en nog een. En ja, het wonder geschiedt: de Menora blijft acht dagen brandden, de Tempel is opnieuw ingewijd.
Met Chanoeka herinneren Joden dit door een Chanoekia, een negenarmige kandelaar, te branden. Elke dag van het feest gaat er een lichtje meer aan tot op de laatste dag ze alle acht branden. Het eerste lichtje dat aangaat is altijd de negende arm, de ‘dienaar’. De andere armen mogen namelijk niet dienen als lichtbron en de andere mogen niet rechtstreeks of ‘aan elkaar’ worden aangestoken.
Nu is het ook een feest waarin Joden vieren dat hun cultuur en hun religie na duizenden jaren van onderdrukking er nog steeds is. God heeft zijn volk nooit losgelaten; al heeft Hij in het offer van zijn Zoon ook de rest van de mensheid omarmt. Chanoeka is dus, net als Advent, een feest van de hoop en vertrouwen op God. Maar leert ook dat God ons nooit loslaat. En dat is ook de les die wij mogen leren van Chanoeka: hoe donker de wereld ook mag zijn en hoe uitzichtloos je situatie ook lijkt: je mag erop blijven vertrouwen dat God je niet laat vallen. Misschien merk je het niet altijd, maar het is echt zo. Elke dag mag dat licht, dat besef, een stukje sterker worden, net als het licht van Chanoeka.
Het vraagt van ons nieuwsgierigheid. Wat, met Jezus’ woorden, waar zijn we naar gaan kijk in de woestijn? Wat verwacht je daar te zien? Waar wacht je nou precies op? Dat zal en mag anders zijn voor iedereen.
Het vraagt van ons ook geduld – Jacobus roept daartoe op in zijn brief. Het zal nog even duren. Heel wat bodes heeft God altijd uitgestuurd: Mozes, Jesaja, Judas de Makkabeeër, Johannes de Doper, onze Franciscus en Clara… allen gaven zij nieuwe hoop. Hoop waaraan we ons mogen vastklampen; aan het licht dat steeds sterker wordt.