Lucas 17,11-19 – zr. Rebecca
inleidend woord:
Broeders en zusters in Christus, wij allen mogen ons hier welkom weten in de ruimte en de liefde van God, die is: Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen.
Deze zondag horen we in de lezing uit het evangelie volgens Lucas een incident dat zich afspeelt tijdens de reis van Jezus naar Jeruzalem. Het is zijn laatste grote tocht, die Hem zal voeren naar Golgotha maar uiteindelijk ook naar de tuin van de Verrijzenis. Binnen het kader van deze reis, voltrekt zich het verhaal dat wij vandaag horen, en waarin eveneens plaats en beweging, afstand en nabijheid een grote rol spelen. In een grensgebied ontmoeten we een vreemdeling, die zelfs te midden van zijn metgezellen een uitzonderingspositie inneemt. Hij staat op afstand, wordt op pad gestuurd, keert terug en komt Jezus nabij – en moet vervolgens, genezen, toch weer verder trekken. Zou het een beeld kunnen zijn van het leven van ieder van ons?
overweging:
‘Deze vreemdeling’ – zo benoemt Jezus de Samaritaanse man die na zijn genezing bij Hem terugkeert. In een geglobaliseerde wereld, waarin bovendien door oorlogen meer mensen op vlucht zijn dan ooit tevoren, zijn er misschien steeds meer mensen die zich in deze benaming herkennen. Clara en Franciscus sporen hun broeders en zusters zelfs aan om zich, onafhankelijk van hun afkomst, als pelgrims en vreemdelingen in deze wereld te beschouwen. Toch blijft het een ongemakkelijke werkelijkheid: vreemdeling zijn, niet passen, geen vanzelfsprekend gevoel van erbij te horen en net zo te zijn als alle anderen. Het hoort bij ons mensen om ergens thuis te willen zijn. Maar zijn we ten diepste niet uiteindelijk altijd die enkeling, die zich zoals de man in het verhaal los moet maken van zijn negen tochtgenoten om zijn hart en geweten te volgen en eer te brengen aan God?
In de groep kan hij Jezus wel tegemoet gaan, maar hij moet toch op een bepaalde afstand blijven staan, samen met de anderen roepend om ontferming. Zij zijn allen melaats, onrein – of mogen we het ook zo lezen: onaangepast aan het contact met God van aangezicht tot aangezicht. Zoals ook wij. We weten wel dat Hij ons kan redden uit onze vervreemdheid van onszelf en ons tot onze diepste bestemming kan brengen, maar verder weten we amper hoe we ons tot Hem kunnen verhouden. Toch is het enige wat Hij vraagt: de bereidheid om te luisteren en te gaan op de weg die Hij ons wijst, ook al zien wij niet in waarom of waartoe. Wij worden bekwaam om God te naderen, niet door daar krampachtig ons best voor te doen, maar door erop te vertrouwen dat Hij ons zal reinigen op zijn manier en in zijn tijd.
Dit is een stap die alleen persoonlijk gezet kan worden, ieder voor zich, niet door mee te gaan met de groep en ons in alles te gedragen ‘zoals het hoort’. Uiteindelijk gaat het om het besef dat wij in Gods ogen allang gereinigd zijn; het waren alleen onze eigen ogen die daar nog voor geopend moesten worden. Komen we tot dit besef, dan ontdekken we dat God in feite nooit op afstand is geweest maar dat wij altijd al vlak voor Hem stonden. Dan rest ons niets anders meer dan ons, zoals de Samaritaanse man, in dankbaarheid en aanbidding voor Hem neer te buigen.
Het paradoxale is dat juist dit thuiskomen in Gods ogen ons nog het meest tot vreemdeling maakt. Als wij eenmaal zo als enkeling voor God hebben gestaan, beseffen wij dat we nooit een definitief thuis op aarde zullen vinden en blijven we altijd uitzien naar ons eigenlijke thuis in God. Zo blijven we de rest van ons leven op weg, een pelgrim en vreemdeling die geen ander rustpunt heeft dan het besef in God gezien te zijn.