Jesaja 2,1-5 – br. Hans-Peter

inleiding:

We gaan samen op weg naar een nieuw begin, een nieuwe morgen. In de wereld om ons heen lijken donkerte, haat en verdriet sterker te zijn dan vreugde, vrede en licht. Maar elk jaar leert ons de adventstijd dat we de hoop mogen en moeten koesteren op een betere toekomst die voor ons is weggelegd. We gaan op weg naar het Licht dat door God aan de wereld geschonken wordt, ja, al geschonken is. De evangelist Johannes vertelt ons immers: “In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is. In Hem was leven, en dat leven was het licht der mensen. En het licht schijnt in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan. […] Het ware Licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld.”
Dat dichterbij komende Licht van de nieuwe morgen, dat wordt gesymboliseerd door de adventskaarsen, zal elke week een beetje sterker worden. Met onze zuster Clara mogen we ons namelijk verwonderen dat “De hemelen Hem niet konden bevatten, maar Maria droeg Hem in de beslotenheid van haar heilige baarmoeder en had Hem op haar jonge schoot.”
Zoals het Kind groeit in Maria’s schoot, zo mag onze hoop in ons elke week een stukje groeien. Zo groeien wij toe naar een nieuw begin met elkaar, met God en al zijn schepselen. De profeet Jesaja neemt ons de komende weken in zijn visioen mee op deze pelgrimstocht mét de hoop. Deze week… heeft de profeet Jesaja het visioen waarin de volken op weg te gaan naar de nieuwe morgen. We moeten ons gereed maken voor die reis. Het uur om uit de slaap te ontwaken is aangebroken, noemt Paulus dat in zijn brief aan de christenen van Rome. De evangelist Mattheus laat Jezus ons er ook op wijzen. Laten we aan de vooravond van dit nieuwe kerkelijk jaar op weg gaan. De nieuwe morgen te gemoed; het eerste licht gloort al; laat niemand achterblijven.

bezinning:

We gaan onderweg naar het Licht toe. De nieuwe morgen tegemoet. In de verte straalt het licht, het is ver, dus klein, de adventskrans heeft één lichtje. Het is klein, het is ver, maar het IS er. En daarover mogen we ons verheugen. Die hoop mag bij ons zijn als we voorttrekken naar… ja, naar wat eigenlijk? Wat is die nieuwe morgen? Heel precies weten we het niet, maar we kennen Jesaja’s visioen: Hij zal recht doen tussen de vele volken, en machtige naties tuchtigen. De groten der aarden worden ten val gebracht, zij die hun hele leven gepoogd hebben meer en meer te krijgen, met alle ellende tot gevolg. Immers, alles wat zij meer hebben dan ze nodig hebben, hebben vele anderen te kort.
Die nieuwe morgen, die nieuwe toekomst, het zal het moment zijn dat iedereen voldoende heeft. Er zal geen oorlog meer zijn, geen ruzie, geen honger…. Is dat niet al te mooi om waar te zijn? Is dat niet wat naïef om te denken? Voor sommigen misschien wel, maar als we niet meer hopen dat het er eens van komt, dan geloven we er niet meer in dat we op weg zijn naar de berg van de Heer. Dan zijn we geen pelgrims van hoop meer. Dan staan we stil. En dan komt uit wat Jezus ons deze eerste Adventszondag in het Evangelie voorhoudt. Dan blijf je achter op de akker of de molen, terwijl je metgezel doorreist.
Wij kunnen de kop niet laten hangen. Als christenen kunnen niets anders dan mensen van hoop zijn. Wij weten toch wat God vermag? Wat Hij gedaan heeft en nog altijd doet? Ik zei het vorige week al… God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst.
Komt laat ons wandelen in dat licht, het Licht van de Heer. Het uur om uit de slaap te ontwaken is reeds gekomen, schrijft Paulus aan de christenen van Rome. En dan vervolgt Hij: “Thans is ons heil dichterbij dan toen wij tot het geloof kwamen.” En precies daar mogen ons aan vasthouden; hoe langer de tijd verstrijkt, des te dichter het heil nabij is. De tijd dat we echt gelukkig zullen zijn. De tijd van God. Want, om nogmaals Paulus te citeren: De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht. Laten we dus hoop houden, want hoop doet leven en onze God is een God van levenden. Ik wens ons allemaal een gezegende pelgrimsreis naar de nieuwe morgen.