Hosea 2,16-17b+21-22 en Audite Poverelle – zr. Emmanuel

welkom en inleiding:

Zusters en broeders, beginnen wij deze viering onder de zegen van onze God en in zijn naam: Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen. Van harte welkom in deze viering rond haar wiens naam ons tot zegen is: Clara!
Wij gedenken vanavond het sterven van de heilige Clara, of beter: haar transitus, haar overgang naar het land van de levenden. In ‘Het boek van de armoede en de dood’ dicht Reiner Maria Rilke: ‘O Heer, geef iedereen zijn eigen dood./ Een sterven, uit een leven voortgekomen/ waar plaats voor liefde was en zin en nood.’
Van de heilige Clara mogen we wel zeggen, dat zo’n sterven haar gegeven is. Ja, zij is gestorven zoals zij geleefd heeft. Daarom gedenken we vanavond niet alleen haar transitus, maar vieren we ook haar leven.
Dit doen we aan de hand van een lied van de heilige Franciscus, dat hij, net als zijn Zonnelied, dit jaar 800 jaar geleden schreef: Audite poverelle! Luister, kleine armen!
Het is een lied van bemoediging voor Clara en haar zusters. Franciscus schreef en componeerde dit lied kort voor hij zou sterven. Dat geeft dit lied een bijzondere lading: alsof hij in het lied bij wijze van testament nog eens wil zeggen waar het in de franciscaanse levenswijze om gaat.
Moge het stralende licht dat Clara is ons in deze viering verlichten, opdat het lied ook ons tot bemoediging mag zijn.

Clara luistert

‘Luister, kleine armen!’
Het eerste woord waarmee Franciscus zich tot Clara en haar zusters richt, het eerste woord ter bemoediging is: Luister! Vóór al het andere waartoe Franciscus hen oproept – aanspoort – is het eerste en voornaamste te luisteren. Dat is de grondhouding doorheen al het andere. Die grondhouding is Clara niet vreemd. Om het beeld van de profeet Hosea te gebruiken: Clara heeft zich laten lokken, zij heeft geluisterd naar Hem die tot haar hart sprak, en is blijven luisteren, haar leven lang. En zo is het ook voor haar zusters, die er zijn en die zullen komen. Ieder die komt om hun levenswijze aan te nemen, doet dat op goddelijke ingeving, luisterend naar Hem die spreekt tot haar hart.
Dat is dan ook wat de zusters onderling bindt: zij zijn uit vele streken en provincies verzameld – en hoewel ze op alle mogelijke manieren van elkaar verschillen, is er toch dit ene: ieder van hen is gelokt, ieder is door de Heer geroepen. Hij is het die hen samengebracht heeft, en Hij is het die de band van de eenheid van hun onderlinge liefde vormt.
Franciscus spreekt Clara en haar zusters aan als ‘poverelle’, ‘kleine armen’. Daarmee schaart hij hen onder de bijbelse armen, de armen van de Heer, de anawim. Dit komt van het Hebreeuwse woord anawah, dat deemoed betekent.
De ‘kleine armen’ zijn zij die nederig en deemoedig zijn, die alles van God verwachten en naar Hem luisteren. Zij vermogen niets uit zichzelf. Zij zijn aangewezen op Gods trouw, afhankelijk van zijn gaven.
Dat is nu precies de waarheid van de mens, van ieder mens. De waarheid waarin Clara en haar zusters verlangen te leven: in de allerhoogste armoede, in en vanuit het diepe besef dat de mens in wezen arm is.
Aan die waarheid wil Clara gehoorzaam zijn, ten einde toe. Daarom ook spreekt zij uit dat zij op geen enkele wijze ooit van haar gelofte van armoede, van de navolging van Christus ontslagen wil worden. Zij wil haar armoede blijven omarmen, zij wil zorgzaam en dankbaar omgaan met alle aalmoezen, alle weldaden die zij van God ontvangt. In haar Testament noemt zij Hem ‘de milde Gever’, ‘de vrijgevige Weldoener’. Hem is zij blijvend dank verschuldigd.
Die gehoorzaamheid aan de waarheid, die volharding in de allerhoogste armoede, gaat ook bij Clara uiteraard niet over rozen, die komt haar niet aanwaaien. Zo weet zij heel goed wat het is om ziek te zijn en afgemat. Op het moment dat Franciscus zijn lied van Bemoediging schrijft, vreest zij zelfs nog vóór Franciscus te sterven. Clara weet dat ziek en afgemat zijn ronduit een last is. Maar zij kijkt niet naar buiten, maar naar binnen. Zij kijkt naar Hem die haar geschapen en geroepen heeft. Zij plaatst haar geest in de spiegel van de eeuwigheid, haar ziel in de afstraling van de heerlijkheid, haar hart in het evenbeeld van Gods wezen.
Zo, en alleen zo wordt voor haar wat bitter was, zoet. Zo, en alleen zo is zij in staat haar last in vrede te dragen, ten einde toe luisterend naar Hem die spreekt tot haar hart. In en doorheen alles.

Clara’s transitus:

Uit het Heiligenleven van Clara:

Als de Heer dichterbij komt en als het ware al voor de deur staat, wil Clara dat priesters en geestelijke broeders bij haar komen staan om het lijden van de Heer en heilige woorden voor te lezen. Wanneer te midden van hen broeder Juniperus verschijnt, een uitmuntend grappenmaker van de Heer die dikwijls warme woorden over de Heer spuide, vraagt zij, vervuld van nieuwe vrolijkheid, of hij iets nieuws over de Heer bij de hand heeft. Hij opent zijn mond en werpt uit de oven van zijn brandende hart vurige vonkjes van woorden. In zijn geïnspireerde woorden vindt Gods maagd grote vertroosting. Daarna wendt zij zich tot haar wenende dochters, beveelt hun de armoede van de Heer aan en roept onder lofprijzing de goddelijke weldaden in herinnering. Zij zegent haar toegewijde broeders en zusters en smeekt de grote genade van zegen af over zowel alle tegenwoordige als toekomstige vrouwen van de arme kloosters. Wie zou de rest zonder tranen kunnen vertellen? Die twee gezegende gezellen van de zalige Franciscus staan erbij, van wie de ene, Angelus, zelf bedroefd, de bedroefden troost en de andere, Leo, het bed van de stervende kust.
De allerheiligste maagd keert in zichzelf en spreekt stil tot haar ziel: ‘Ga gerust, want je hebt een goede reisgeleide. Ga’, zei ze, ‘want Hij die je geschapen heeft, heeft je geheiligd; Hij heeft je altijd behoed als een moeder haar kind, en je met tedere liefde bemind. U, Heer’, zei ze, ‘die mij geschapen hebt, wees gezegend.’ Als een van de zusters haar vraagt tot wie zij spreekt, antwoordt zij: ‘Ik spreek tot mijn gezegende ziel.’ Die glorievolle geleide was niet ver weg meer. Want terwijl zij zich tot een dochter keert, zegt ze: ‘Zie jij, dochter, de Koning van de glorie die ik zie?’
Daags na het feest van de heilige Laurentius, gaat die allerheiligste ziel heen om gelauwerd te worden met de eeuwige beloning. Nu de tempel van haar lichaam was afgebroken, vertrok haar geest gelukzalig naar de sterren.

Luister!

Franciscus schreef zijn lied van Bemoediging voor Clara en haar zusters, 800 jaar geleden. Maar ook vandaag de dag, 800 jaar later, hebben zijn woorden niets aan zeggingskracht ingeboet. Misschien klinken ze zelfs nog krachtiger.
‘Luister!’ klinkt het ook tot ons. Dat is vandaag de dag geen sinecure, met ons doorgaans hoge levenstempo en de vele stemmen en geluiden die ons voortdurend van alle kanten omringen. Het komt ons inderdaad niet aanwaaien, we moeten er moeite voor doen. Maar werd de bruid bij Hosea niet naar de woestijn gevoerd? Was het niet in de leegte, de ruimte en de stilte van de woestijn waar God tot haar hart kon spreken?
En wordt van Clara niet verhaald in haar Heiligenleven dat zij haar zusters leerde om ‘allereerst alle geraas uit de woning van hun geest te verjagen?’ Luisteren kost inspanning, luisteren vraagt tijd en ruimte. Maar dat is het ook meer dan waard, want niemand minder dan God zelf wil spreken tot ons hart.
‘Luister, kleine armen!’  Ook wij worden geschaard onder de anawim, de kleine armen. Want, hoezeer de moderne mens ook anders zou willen, die fundamentele waarheid van de mens is onveranderlijk: wij mensen zijn arm. Hoezeer wij ook menen ons leven zelf in de hand te hebben, tot hoeveel we ook in staat zijn wat de maakbaarheid van ons leven betreft, hoe hoog we zelfredzaamheid en onafhankelijkheid ook in het vaandel hebben… De waarheid is hoe dan ook dat wij mensen, in de woorden van Clara, ‘straatarm en behoeftig’ zijn. De moderne mens zal het hier spaans benauwd van krijgen. Ons hoeft het echter niet te beangstigen, want God zelf is arm en behoeftig in deze wereld gekomen om ons in Hem rijk te maken. Onze behoeftigheid en afhankelijkheid van Hem is er een in liefde.
Het is ook de liefde die maakt dat wij onze lasten kunnen dragen. Dat we vrede kunnen ervaren wanneer we geconfronteerd worden met ziekte, of wanneer we afgemat zijn, of anderszins te lijden hebben. Wanneer we dan Franciscus’ bemoediging ter harte nemen en onze blik naar binnen keren, ontwaren we in ons Gods liefdevolle aanwezigheid. Laten wij naar het voorbeeld van Clara bij Hem verwijlen, en luisteren en blijven luisteren naar Hem die spreekt tot ons hart. In en doorheen alles.