Johannes 4,5-15+19b-26 – zr. Emmanuel

inleiding:

Zusters en broeders in Christus, wij zijn hier bijeen in de genadevolle ruimte en liefde van onze God, Die is: Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen.
Van harte welkom in deze vigilie van de derde zondag van de Veertigdagentijd.
We begonnen deze viering met het gebed dat deze Veertigdagentijd onze leidraad is. Het is het gebed van Franciscus, waarvan hij zelf getuigt in zijn Testament:
En de Heer heeft mij zo’n geloof in kerken gegeven dat ik eenvoudig bad en zei:
“Wij aanbidden U, allerheiligste Heer Jezus Christus, hier en in al uw kerken over heel de wereld. En wij loven U, omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.”
Twee weken terug overwogen we samen wat aanbidding inhoudt, en maakten we opnieuw de keuze om ‘de Heer onze God te aanbidden en Hem alleen te dienen’. Vorige week stonden we stil bij wie we aanbidden: onze allerheiligste Heer Jezus Christus. Vandaag gaat het over de plaats waar men aanbidden moet. Waar is die plaats? Het kan in elk geval geen blijvende plaats zijn, aangezien we immers onderweg zijn, op de weg van het kruis, in het voetspoor van onze Heer Jezus Christus. Of toch?
Waar is die plaats?

Bidden wij nu met Franciscus zijn gebed voor het kruis:
Hoogste, roemrijke God,
verlicht de duisternis van ons hart
en geef ons het ware geloof,
de gegronde hoop en de onverdeelde liefde,
het aanvoelen en de kennis, Heer,
om uw heilige en waarachtige opdracht
te kunnen uitvoeren.
Door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

bezinning:

Waar is de plaats waar men aanbidden moet? Dat is de vraag die de Samaritaanse Jezus stelt. Op de berg Gerizim, waar de tempel van de Samaritanen had gestaan, de plaats die de Samaritanen nog steeds in ere hielden? Of in Jeruzalem, de heilige plaats van de Joden?
‘Geloof Mij’, zegt Jezus, ‘er komt een uur dat gij noch op deze berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Het uur komt, ja, het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid.’
Wijst Jezus hiermee weg van beide plaatsen, weg van welke plaats dan ook? Of verruimt Hij de plaats juist? Is de plaats juist overal waar mensen de Vader aanbidden in geest en waarheid?

Waar is de plaats waar men aanbidden moet? Franciscus zegt: hier en in alle kerken die er op de hele wereld zijn. Het gebed dat deze Veertigdagentijd onze leidraad is, ontleent Franciscus aan de liturgie van Goede Vrijdag en Kruisverheffing, maar hij voegt er de zinsnede over kerken aan toe. Heel het gebed zelf is voor hem ook een uitdrukking van zijn ‘geloof in kerken’, zoals hij het zelf zegt in zijn Testament. Toch schrijf hij even verderop in zijn Testament dat de broeders er goed voor moeten uitkijken om kerken – en alles wat voor hen gebouwd wordt – te aanvaarden, behalve als zij er altijd als vreemdeling en pelgrim te gast zijn, zoals past bij de heilige armoede die zij beloofd hebben. Want ook Christus zelf was een arme en een vreemdeling, zegt Franciscus. Daarom mogen de broeders ‘zich niets toe-eigenen, geen huis, geen plaats, helemaal niets.’

Waar is de plaats waar men aanbidden moet? In zijn eerste Regel vraagt Franciscus zijn broeders ‘in de heilige liefde die God is […] zo goed als zij maar kunnen de Heer God met een zuiver hart en een gelouterd verstand te dienen, beminnen, eren en aanbidden, wat Hij boven alles vraagt.’ En dan vervolgt hij: ‘Laten wij daar altijd een verblijfplaats en woning maken voor Hem die de Heer is…’
‘Daar’: dat is: in ons hart. In ons hart dienen wij Hem een verblijfplaats en woning te maken. In ons hart is de plaats waar wij aanbidden moeten.
‘Laten wij Hem met een zuiver hart aanbidden’, zegt Franciscus, ‘want wij moeten blijven bidden en de moed niet opgeven, want de Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden. God is Geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.’

Ons hart is de plaats waar wij Hem mogen aanbidden, en wel ‘in geest en waarheid’. Precies zoals wij zijn, met alles wat er in ons is – in waarheid. Hij hoort en ziet ons, en doet in ons een bron opborrelen tot eeuwig leven.
Laten wij in de stilte die nu volgt op die plaats verwijlen waar wij Hem mogen aanbidden, en Hij ons hoort en ziet. In geest en waarheid.