Johannes 9,1-9+13-17+24-25+34-38 – zr. Emmanuel

inleiding:

Zusters en broeders in Christus, wij zijn hier bijeen in de genadevolle ruimte en liefde van onze God, Die is: Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen.
Van harte welkom in deze vigilie van de vierde zondag van de Veertigdagentijd.
Laetare, wordt ons deze zondag aangezegd. Verheugt u!
Verheugt u! Dit klinkt deze zondag ook door in het gebed dat deze Veertigdagentijd onze leidraad is. We begonnen er onze viering mee. Het is het gebed van Franciscus, waarvan hij zelf getuigt in zijn Testament:
“Wij aanbidden U, allerheiligste Heer Jezus Christus, hier en in al uw kerken over heel de wereld. En wij loven U, omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.”
De voorbije weken overwogen we samen wat aanbidding inhoudt, wie we aanbidden, en waar de plaats is om te aanbidden. Deze zondag klinkt het: en wij loven U.
Die oproep tot verheugen, tot loven, wil niet zeggen dat het allemaal van een leien dakje gaat, dat het ons komt aanwaaien. We hoeven niet ‘in de gloria’ te zijn. We gaan immers de weg van het kruis, en niet zelden dringt dat kruis zich in alle zwaarte aan ons op. En toch: wij loven U, zeggen wij met Franciscus.

bezinning:

En wij loven U. Nadat we opnieuw de keuze gemaakt hebben om de Heer onze God te aanbidden, nadat we ten diepste hebben ervaren waarin Hij Heer wil zijn, en nadat wij de plaats hebben ontdekt waar wij Hem kunnen aanbidden – ons eigen hart… Na dat alles past ons vreugde, past het ons dat wij Hem loven. Toch bevinden wij ons nog midden in de woestijn, en de weg die wij gaan is nog altijd de weg van het kruis. Hoe kunnen wij daar tot die vreugde komen van waaruit er spontaan een lofzang opwelt uit ons hart? Het Evangelie wijst ons de weg. Ook in het Evangelie klinkt namelijk die oproep tot loven.

‘Geef eer aan God’, zeggen de Farizeeën tot de blindgeborene. En dat doet hij, zij het op een wijze die de Farizeeën niet verstaan. De blindgeborene brengt Jezus lof en eer, eerst door Hem te erkennen als profeet, en later door in Hem te geloven als de Mensenzoon. Dit alles is echter ná zijn genezing, nadat – ogenschijnlijk – zijn kruis minstens wat lichter geworden is. Maar ook daarvoor al is er sprake van ‘lof brengen’, wijst Jezus ons op iets wat ons mag verheugen. Wanneer de leerlingen Jezus vragen wie er gezondigd heeft, dat de man blind geboren werd, zegt Jezus: ‘Noch hij heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden.’

Jezus zegt dan vervolgens wel dat wij de werken moeten doen van Hem die Jezus gezonden heeft, en wel zolang het dag is. Maar vóór alles, reeds in de nacht, in de zwaarte van ons kruis, in dat waaraan wij lijden, is God in ons aan het werk. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen, zegt de apostel Paulus. Dus zal ik het liefst van alles roemen op mijn zwakheden. Dan zal de kracht van Christus in mij wonen…

 Als wij mee bewegen met die genade, als wij Hem alle ruimte geven om in ons te werken en met ons te doen, dan brengen wij Hem lof.

Vanuit Gods werken aan en in ons, zijn wij dan op onze beurt geroepen om ‘de werken van God te doen’, en Hem zo te loven. Zolang het dag is én in de nacht, naar het woord van de psalmist: Zo de Heer dag aan dag, zijn gunst weer uit deed gaan, Hem gold tot in de nacht mijn lied – een lofgezang tot God die leven is…

Franciscus schrijft in zijn derde psalm, een psalm die gewijd is aan het lijden van Christus:
Wees mij genadig, God, wees mij genadig
want op U vertrouwt mijn ziel. (…)
Ze hebben een strik voor mijn voeten gespannen,
en ze hebben mijn ziel vernederd. (…)
Vastberaden is mijn hart, God, mijn hart is vastberaden:
ik zal zingen en psalmen bidden.
Sta op, mijn lofzang, sta op, harp en citer,
ik zal opstaan bij de dageraad…

Laten wij in de stilte die nu volgt bij onszelf overwegen hoe God in ons aan het werk is, in waar het nacht is in ons leven, in de zwaarte van ons kruis, in dat waaraan wij lijden. Kan er daar een lofzang opwellen uit ons hart, tot God die leven is?