Lucas 13,22-30 – zr. Emmanuel

inleiding:

Broeders en zusters in Christus, op deze vooravond van de 21e zondag door het jaar zijn wij hier verenigd in Hem Die is: Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen.
Deze zondag horen we hoe Jezus voortgaat naar Jeruzalem, en onderweg in de steden en dorpen die Hij aandoet onderricht geeft. Meer nog, Jezus geeft deze zondag zijn toehoorders – dus ook ons – een dringende aansporing, een vermaning. “Spant u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen”, zegt Jezus, “want velen zullen proberen binnen te komen, maar zij zullen daar niet in slagen.”
De heilige Clara heeft alvast de ernst van deze woorden ter harte genomen, en drukt ze in haar Testament ook haar zusters op het hart.
Laten wij in deze viering met Clara luisteren naar Jezus’ woorden, en de volle ernst ervan tot ons laten doordringen. Richten wij ons daartoe nu eerst met een gezongen gebed tot God.

bezinning:

In haar Testament schrijft Clara:
“ En omdat de weg of het pad waarlangs men gaat smal is
en de poort waardoor men het leven binnengaat nauw is
en er weinig mensen zijn die deze weg bewandelen
en door die poort binnengaan,
ook al zijn er enkelen die hem een tijdje bewandelen,
zijn er zeer weinigen die op die weg volharden. (…)
Laten wij er daarom voor zorgen dat wij,
als we de weg van de Heer zijn opgegaan,
daarvan geenszins ooit afwijken
door onze schuld en onwetendheid…”

Met deze woorden herneemt Clara het beeld van de Weg, waar zij haar Testament ook mee begonnen is. De Weg die de Zoon van God voor ons geworden is blijkt een smalle weg, en het is allesbehalve vanzelfsprekend om op die weg te volharden tot het einde. Zij maant haar zusters daarom ‘ervoor te zorgen nooit door eigen schuld en onwetendheid van de weg af te wijken’. Bij Clara is er geen onderscheid tussen handelen door eigen schuld of in onwetendheid, zoals Jezus eerder in het Lucasevangelie wél een onderscheid maakt tussen de knecht die de wil van zijn Heer kende maar niet handelde volgens diens wil, en de knecht die in onwetendheid handelde. ‘Want’, zegt Jezus dan, ‘aan wie veel is gegeven zal veel worden geëist, en aan wie veel is toevertrouwd, zal des te meer worden gevraagd.’

Nu IS er aan Clara en haar zusters ook veel toevertrouwd, namelijk hun roeping. Aan het begin van haar Testament schreef Clara al: ‘Daarom zegt de apostel: Leer je roeping kennen. De Zoon van God is voor ons de weg geworden…
Leer je roeping kennen. Clara’s zusters past geen onwetendheid jegens hun roeping. Zij moeten ervoor zorgen dat zij hun roeping kennen en erkennen, iedere dag opnieuw.

Het ergste wat hen, en ieder van ons zou kunnen overkomen is dat wij aan het einde van onze levensweg voor Christus komen en Hij ons zegt: ‘Ik ken u niet, Ik weet niet waar gij vandaan komt.’ En dan kunnen we opwerpen: ‘Heer, het grootste deel van mijn leven heb ik in het klooster doorgebracht; dikwijls bent U voor ons tegenwoordig gekomen onder de gedaanten van Brood en Wijn; dagelijks heeft uw Evangelie, uw onderricht tot ons geklonken.’ Maar dat zal ons dan niet baten. Niet voor niets prijst Jezus zijn moeder gelukkig, niet zozeer omdat zij Hem in haar schoot gedragen heeft en Hem gevoed heeft, maar omdat zij naar het woord van God heeft geluisterd en het onderhouden heeft.

In wezen is het heel eenvoudig: het gaat erom naar Gods woord te luisteren en het te onderhouden. Het gaat erom onze roeping te kennen en te erkennen, dat wij doen wat Hij ons, ieder van ons persoonlijk, vraagt. Het gaat erom dat Christus in ons leven vlees en bloed wordt.
‘Spant u tot het uiterste in’, zegt Jezus ons. Maar gelukkig weet Clara dat het tegelijk altijd een gave van God is. Daarom bidt Clara aan het eind van haar Testament dat ‘Hij die het goede begin gegeven heeft, ons ook de groei en de uiteindelijke volharding zal geven.’