Matteüs 4,1-11 – zr. Emmanuel

inleiding en gebed:

Zusters en broeders in Christus, wij zijn hier bijeen in de genadevolle ruimte en liefde van onze God, Die is: Vader, Zoon en Heilige Geest. Amen.
Van harte welkom in deze vigilie van de eerste zondag van de Veertigdagentijd. Afgelopen woensdag zijn we de woestijn ingetrokken, zijn we begonnen aan onze tocht van veertig dagen. In het lied waarmee wij deze viering begonnen zijn hebben we onder woorden gebracht waar deze tocht op uit zal lopen. Op het kruis, op onze verlossing door het kruis.
De weg door de woestijn blijkt de weg van het kruis.
Op die weg zal deze Veertigdagentijd niemand minder dan Franciscus onze gids zijn. In feite zijn wij deze viering reeds begonnen in zijn geest, met zijn eenvoudige gebed, waarvan hij zelf getuigt aan het begin van zijn Testament:
En de Heer heeft mij zo’n geloof in kerken gegeven dat ik eenvoudig bad en zei: “Wij aanbidden U, allerheiligste Heer Jezus Christus, hier en in al uw kerken over heel de wereld. En wij loven U, omdat Gij door uw heilig kruis de wereld verlost hebt.”
Iedere zondag licht er een gedeelte van dit gebed op in het Evangelie, om ons te vormen en om te vormen op de weg van het kruis, in het voetspoor van de Gekruisigde. Bidden wij daartoe met Franciscus zijn gebed voor het kruis:

Hoogste, roemrijke God,
verlicht de duisternis van ons hart
en geef ons het ware geloof,
de gegronde hoop en de onverdeelde liefde,
het aanvoelen en de kennis, Heer,
om uw heilige en waarachtige opdracht
te kunnen uitvoeren.
Door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

bezinning:

In het Evangelie horen we hoe Jezus door de Geest naar de woestijn wordt gevoerd, om daar door de duivel op de proef gesteld te worden. Tot driemaal toe treedt de duivel op Jezus toe en tracht Hem te verleiden. Tot driemaal toe pareert Jezus hem en de derde keer is de maat ook vol:
“Weg, satan, er staat immers geschreven:
‘De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.’”

De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. Jezus citeert hier uit het boek Deuteronomium.
Het is een spannend citaat. Geen geloofswaarheid die je kunt belijden terwijl je zelf buiten schot blijft. Het veronderstelt namelijk altijd een keuze. Het volk in de woestijn wist de juiste keuze niet te maken. Of beter gezegd: het bezweek voor de al te menselijke bekoring om houvast en zekerheid te zoeken in andere dingen dan God alleen.
Met aanbidding doelt Jezus ook niet op een soort van godsdienstoefening, of op een bijzondere wijze van bidden. Aanbidding trekt door alles heen, door heel het leven. Het is een levenshouding. ‘De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden: God is geest, en wie Hem aanbidden moeten Hem in geest en waarheid aanbidden’, horen we Jezus over twee weken zeggen tot de Samaritaanse vrouw.

Franciscus is iemand die dit goed begrepen heeft. In zijn eerste Regel vraagt hij zijn broeders ‘in de heilige liefde die God is, ieder beletsel te verwijderen en alle zorg en beslommering achter zich te laten en zo goed als zij maar kunnen de Heer God met een zuiver hart en een gelouterd verstand te dienen, beminnen, eren en aanbidden, wat Hij boven alles vraagt.’ En een paar verzen verder schrijft hij: ‘Laten wij Hem met een zuiver hart aanbidden, want wij moeten blijven bidden en de moed niet opgeven, want de Vader zoekt mensen die Hem zo aanbidden.’

Het is ook zijn uitleg van de zaligspreking over de zuiveren van hart. In zijn zestiende wijsheidsspreuk schrijft Franciscus: ‘Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien. Zij zijn echt zuiver van hart die het aardse verachten, het hemelse zoeken en niet ophouden de levende en ware Heer God altijd te aanbidden en te zien met een zuiver hart en gemoed.’

‘De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen’, klinkt het deze zondag tot ons. Dat betekent dat wij moeten kiezen. Dat wij, in nederigheid en waarheid, onder ogen moeten zien waar wij ons houvast en onze zekerheid zoeken in succes, in comfort en gemak, in erkenning en waardering, in zekerheid en controle. Waar al deze zaken een beletsel vormen worden wij uitgenodigd, aangespoord om die te verwijderen. Om alle zorg en beslommering achter ons te laten, en zo goed als wij maar kunnen God dienen en aanbidden met een zuiver hart en gemoed.

Laten wij in de stilte die nu volgt in die nederigheid en waarheid gaan staan, en onder ogen zien wat onze beletsels zijn, onze zorgen en beslommeringen. Welke keuze moeten wij maken om de Heer onze God te aanbidden en Hem alleen te dienen?